Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen de heer v. tl. B. motiveert zijn beweren. „Een jongen, die een opstel moet maken, denkt niet aan zijn eigen taal, maar om zijn boekjes, zijn Duyser, zijn Kat, etc. etc. . . . Zoo wordt de jongen door de school gemaakt tot een redeloozen dogmaticus". Het zal wel zoo zijn, maai' hier blijkt toch al weer, hoe verschillend de menschen observeeren kunnen. Mij is het altijd voorgekomen, dat de jongens hoofdzakelijk aan hun boeken denken, als zij ze voor zich hebben, — en dan nog niet eens altijd — maar dat het overigens met de boeken der meesten zóó gesteld is: „uit het oog, uit het hart!"

Doch ik wil gaarne toegeven, dat er bier en daar nog wel taalonderwijs is, dat de taalkunde in opspraakt brengt. In mijn „Renaissance-spraakkunst" heb ik (I, § G der Inleiding) er mij ook over uitgelaten en het zij mij vergund de plaats even af te schrijven.

„Ofschoon de nieuwere taalkunde reeds sedert Jacob Grirnm

met de opvatting gebroken heeft, dat de spraakkunst eene

wetgevende wetenschap zou zijn, schijnt het taalonderwijs in

de scholen de leeken nog altijd in den waan te brengen,

dat de spraakkunst bepaalt, wat op taalgebied mag of niet

mag. En daar we in een tijd leven, waarin voorschriften

alleen kans hebben opgevolgd te worden, wanneer zij, tot wie

ze zich richten, van de redelijkheid overtuigd zijn, is het

gewenscht, dat het taalonderwijs meer dan tot dusver de

leerlingen doe inzien, dat de spraakkunst alleen eene ordelijke

codificatie is van het taalgebruik, beheerscht als dit wordt

door de taal van het verleden, de talen onzer naburen en

de veranderde invloeden van het heden. Staat dit inzicht

op den voorgrond, dan is er ook gelegenheid om te doen

begrijpen, dat de spraakkunst hoofdzakelijk formuleert, wat

gebruikelijk is, maar ook nu en dan richtend optreedt, als

17

Sluiten