Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wederom hebben wij hier met een terugslag van een kleine beweging in de literatuur te doen. De jongste dichters vooral gaan groot op hun heiligen afkeer van rethoriek. Albert Verwey heeft het vorige jaar in een brochure ]), waarin liij Van Eeden's Ellen en Johannes Viator behandelde, de tlieorie nog eens uitdrukkelijk uiteengezet; „Ieder beeld ia uiting van het gevoel van zijn dichter, en kan niet uiting zijn van iemand anders gevoel". Merk wel op, hoe overdreven scherp zoo'n stelling geformuleerd wordt. Ieder dichter moet al zoo zijn eigen beelden vinden. Al wat gemeengoed is, moet op den index. Maar het is natuurlijk, dat geen dichter ter wereld voor dien strengen regel kan bestaan. Zelfs bij de grootste poëten is er meer gelijk dan eigen te vinden. En liet is verbazingwekkend, dat juist in een tijd, waarin het besef zich ontwikkelt, dat de geestelijke kant van de wereld even streng samenhangt als de stoffelijke, zulke isolementstheorieën kunnen opkomen. Wie iets zegt, dat niet gedacht of gevoeld is, die is natuurlijk een kip zonder kop of e<m papegaai, en van tijd tot tijd maakt ieder onzer op zijn beurt zich daaraan weieens schuldig. Maar we gebruiken ook veel beeldspraak, die we heel goed voelen, al hebben we die niet zelf gevonden. En groeit er eens wat nieuws in ons tuintje, dan zijn we op dat moment dichters. Ik hoorde laatst een onderwijzer zeggen: „die jongen, 't is net een verloopen moer; elk oogenblik denk je, dat hij pakt, maar ja wel, dan gaat hij er weer van door". Het werd gezegd op een toon, die van groote belangstelling in den kwajongen getuigde en het was poëzie. De echte dichters zijn niet anders dan menschen, bij wie zoo iets slag op slag gebeurt. De valsche zijn zij, die alleen van gemeengoed en roofgoed leven. Maar niet iedereen

1) Letterkundige kritiek, D. de Voogd, Amsterdam,

Sluiten