Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is geroepen om dichter te zijn. Men zondigt alleen als men er zich voor uitgeeft en het niet is.

Toch komt die zonde telkens voor en daarom zijn er telkens opnieuw waarschuwingen en kastijdingen noodig, als de valsche dichters weer sterk voorttelen. Een studio, waarin dit onderwerp met smaak en kennis behandeld wordt, is het aardige en leerzame stuk van A. S. Kok over Trucs en vernieten plunje '), waarin de grenzen tusschen het geoorloofde eu ongeoorloofde op dit terrein met fijne onderscheidingsgave zijn aangewezen. Daar kapittelt hij vol goed humeur de onderwijzers over hun „huurfrazen" in verslagen van vergaderingen, maar daar brengt hij ook in herinnering, op wat vermakelijke manier Fokke Simonsz. al in zijn tijd met de verflenste rethoriek der 18e-eeuwers den draak stak. En door tal van voorbeelden stelt deze voorman onder de oudere taalonderwijzers in het licht, hoe er geen erger banaliteit is dan misbruik van het pasgevondene. Ook daarvoor levert onze eigen tijd de voorbeelden. Een der nieuwere dichters heeft gezongen van het heerlijk huis, dat hij bouwen wilde, voor zijn nieuw en eigen mooi. Maar toen kwam er een tweede, die bouwde een paleis, en een derde een kasteel, en een vierde een burcht, en een vijfde een toren, — een compleet Nieuw-Holland voor een toekomstige litteraire tentoonstelling!

Doch wij hebben het over taalonderwijs, en niet over het kweeken van dichters. Of liever, die worden niet gekweekt; niemand is ooit een groot dichter geworden, omdat hij zulk voortreffelijk taalonderwijs had genoten. Heeft het taalonderwijs dan met geen beeldspraak te maken? Niemand zal dit

1) Noord en Zuid, 1890, bl. 481—501.

Sluiten