Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

willen ontkennen, tenzij wellicht de lieer v. d. B., die van de leer schijnt: laat maar groeien! Zeker, de beste dingen komen niet door menschenniacht, doch is het toch niet aan te bevelen, den grond wat los te maken en wat te zaaien, te snoeien en te wieden? Maar wat meer algemeen uit het oog verloren wordt, is dit. Steloefeningen, waarvan de oefeningen in beeldspraak een onderdeel uitmaken, bedoelen nog iets meer dan bloote oefeningen in de kunst voor eigen gebruik. Het is er mee als met onderwijs in teekenen en muziek. Men oefent zich in beide allereerst voor eigen nut en genoegen, om zelf in staat te zijn die tweede schrijfkunst redelijk te hanteeren, en zelf wat te kunnen zingen en spelen. Maar blijft niet het hoogere doel, dat oogen en ooren daardoor meer opengaan voor het schoone, hetwelk de bevoorrechten onder de menschenkinderen in vormen en kleuren, klanken en harmonieën te voorschijn brengen? Laat men geen planten bekijken en planten zoeken, om het aantal blinde wandelaars te doen afnemen? Uit dat oogpunt moeten ook de steloefeningen bezien worden. Ze zijn allereerst bestemd om een zekere mate van taalvaardigheid te ontwikkelen, maar ze moeten evenzeer en nog meer dienen als een steun voor het leesonderwijs, een oefening in „nauwkeurig lezen", een middel om ook hier oogen en ooren open te maken voor de buitengewone qualiteiten, die het taalgebruik hebben kan. Ik maak de opmerking in het algemeen, omdat zij mij ook moet dienen voor het volgende artikel, doch zij geldt in het bijzonder mede voor de oefeningen in het verstaan en het gebruiken van beeldspraak. Niet om de leerlingen voorraad van figuurlijke taal aan de hand te doen, moeten zij dienen; in dit opzicht blijft het wijs immer tot matiging aan te sporen. Maar wel is het de moeite waard door goedgeleide waarnemingen het gevoel voor dezen „dauw en

Sluiten