Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buigen en vervoegen, de noodeloos uitgesponnen zinsontledingen, de combinatorische vormleeroefeningen, het bijna uitsluitend werken met onbenoemde getallen, enz. Maar die tijd is voorbij, en daarom doet het zonderling aan, nog telkens dat verheerlijken van de „zaken" en het smalen op de „vormen" te vernemen. Beide zijn innig verbonden, maar zijn toch elk op zich zelf voor beschouwing vatbaar, en de observatie der vormen behoeft volstrekt niet altijd in den nasleep van de zaken te komen. Alles op zijn tijd en naaide mate van zijne belangrijkheid. Immer eiscbt het eene afzonderlijke overweging of eene reeks van zaken of eene reeks van vormen eene eigen behandeling verdient. Maar die a priori aan de „vormen" te willen ontzeggen, is pure willekeur.

Intusschen maak ik de behandeling van mijn onderwerp los van de bijzondere zaak, die er aanleiding toe gaf. De groole vraag, waarvan het al of niet geoorloofde van aparte schrijfoefeningen slechts een klein onderdeel uitmaakt, is deze: „Is voor de eenheid van het lager onderwijs, waarop we allen prijs stellen, de gekunstelde concentratie noodig, waarvan de vereerders van Herbart droomen?

Met echt Nederlandsche langzaamheid is onze wetgeving op het lager onderwijs zich eerst in 1878 met die eenheid een weinig gaan bemoeien. Art. 21 schreef de samenstelling van een leerplan voor. Tot dusver had de traditie onbelemmerd geheerscht; de eene onderwijzer vernam van den ander, hoever men in deze of gene klasse gewoon was te komen. Menig hoofd eener school, die nooit van een leerplan gehoord had, zat met de samenstelling deerlijk verlegen, en menig schoolopziener, die er nooit een gezien had, keurde maar goed, wat hem werd voorgelegd. Maar

Sluiten