Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wilde dieren met opengesperden muil; anderen beten woedend in de ijzeren stangen, waar zij achter waren gesloten. Bij den aanblik gteep u siddering aan.

Ik kon mij moeilijk overtuigen dat die beelden niet leefden, zoo geweldig was de indruk, dien zij op mij maakten. Dikwijls werd mij tot mijne waarschuwing de plaats aangewezen, waar de nonnen komen, die haar gelofte verbreken. Het is de heetste plaats der hel en in ieder opzicht nog akeliger dan die waar de Protestanten verblijven : deze zeide men mij, waren wel strafbaar, maar niet zoo erg als hunne geestelijken en de Bijbel, die hen tot verderf leidde.

Zoo dikwijls als ik in deze kamer kwam, en dat gebeurde nog al eens, bad ik voor „de afgescheiden zielen" van getrouwe Roomschen, maar die op aarde geen vrienden hadden, die voor hen bidden konden.

Hoe pijnlijk was dikwijls mijn gevoel' aangedaan, als ik tegenover deze schilderijen alléén stond. _

Johanna Ray werd daar eens opjesloten en schreide luid en akelig. Eenige oude nonnen sloegen de abdis voor, om haar een bal in den mond te stoppen. „Neen," zeide zij, „gaat en laat den duivel er uit. Om harentwil bezondig ik mij veel meer dan om al de anderen."

Johanna kon het in die kamer niet uithouden en later gat zij aan de afzichtelijkste beelden bijzondere namen. „Op de dagen, als wij catechiseeren moesten, placht zij zich achter de deur van de provisiekast te plaatsen, waar de priester haar niet zien kon, vlak tegenover de nonnen, die zij aan het lachen hielp. „Gij zijt niet zoo aandachtig als vroeger," zei dé' priester dan, terwijl wij «m niets auders dachten, dan om maar ons lachen te bedwingen. Bij zulke gelegenheden placht JohanDa de voorletters van den naam van een of anderen priester, dien zij vroeger bij een van de beelden uit de hel vergeleken had, in de hoogte te houden, zoodat wij moeite hadden om ernstig te blijven.

Ik weet nog wel dat zij dien verdoemde, die in de ijzeren stangen beet, terwijl een draak zijn muil boven hem open sperde, pater Dufresee noemde; en dan vroeg zij: „Ziet hij er niet zoo uit, als hij met dat lange, uitgestreken gezicht in de catechisatie komt, en dan begint met: „Nu, kinderen, ik hoop dat gij vroom zult hebben geleefd !"

Toen ik de eerste maal in mijn vestituur te biecht gicg, vond ik gelegenheid om op te merken, dat de priesters zeiven deze plechtigheid, die zij een sacrament noemen, niet met voldoenden eerbied behandelden. Zij konden ook daarbij hunnen verachtelijken en schaamteloozen aard niet verzaken. De biechtvader zat soms in de kamer voor gewetensbeproeving, somtijds in de cel der abdis; doch altoos was hij alleen met de biechtende non. Hij zat op een gewonen stoel midden in het vertrek, vrij eu open, niet achter een beschotje. Hier

Sluiten