Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de liedjes die zij kende, ongepaste en bespottelijke regels op, die haar tan het lachen hielpen, zooals:

De God der liefde slaat hel oog Op dit zeer zoete kieken.

Het doet mij leed, dat JohanDa Ray niet opgeroepen kan worden om getuigenis te geven van hetgeen ik in dit boek schrijf. Zij weet zeker nog veel meer dan ik. Zij moet daadzaken kennen, die waardig zijn om ilgemeene b*ken 1heid te verkrijgen. Haar langer verblijf in het klooster, haar gewoonte om overal rond te dwalen en om alles op te nemen, moetén haar bekend hebben gemaakt met dingen die waarlijk belangrijk liin. Ik ben overtuigd, dat zij hier alles weet'. Zii luisterde aan de kamerdeur der abdis, keek door het sleutelgat, wanneer de een of andere priester een bezoek aflegde en vertelde soms wat zij gezien had. In zulke gevallen meende ik verplicht te zijn zulks te biechten en deed dit ook altoos. Johanna wist intusschen dat ik het aan den abdis of een of ander priester biechtte, doch zon der haren naam te noemen. Dikwerf zeide ik tot haar: „Johanna vercel het nnj toch niet, want ik moet het biechten." „Goed," zeide' zij nnj dan, „het is beter dat gij het biecht dan ik." Zoo werd ik tegen mijn zin met tooneelen bekend, van welke de vertooners geloof len, dat niemand, buiten hen, iets wist.

Op zekeren dag ging ik door een gedeelte van den kelder, waar ik nog met dikwijls was geweest. Ik bleef met mijn kleeren aan iets hechten en viel. Opstaande en met de lamp naar de oorzaak van mijn val ziende, vond ik een ring, die aan een valdeur was bevestigd. Ik was nieuwsgierig genoeg, maakte de deur open en 23a vier of vijf trappen die naar beneden voerden. Ik durfde niet naar beneden gaan, uit vrees van ontdekt te zullen worden. Ik sloot dus de deur en verhet de plaats. Ik kon in het eerst maar niet begrijpen, waartoe

8ang dienen moest; eindelijk begreep ik dat zij wellicht naar het seminarium leidde, te meer, daar ik mij vroeger niet had kunnen verklaren, hoe de priesters zoo op eens in en uit het klooster kwamen, vooral des nachts, wanneer, gelijk ik wist, de poort gesloten was. Zij konden, gelijk ik nu zag, op ieder uur tot aan de kamer van de abdis komen en van daar de trap op naar onze slaapzaal of waarheen zij anders wilden. Dikwijls lagen zij reeds in ons bed, voordat wij er naar toe gingen. Mijn vermoeden bleek mij later waarheid te zijn. Later ontmoette ik dikwijls priesteis in den kelder, wanneer ik steenkolen of iets dergelijks halen moest.

Mijn uitputting door die dagelijksche gebeden en arbeid, mijn lichtelijk lij ien, de neerslachtigheid van mijnen geest, vermeerderd door de bueten, die ik deed en die ik vreesde, mijn gevoel van schaamte, spijt en afgrijzen, dat alles bracht mij in een toestand

Sluiten