Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik moest dikwijls in den kelder wezen ; de abdis had mij vroeger gesproken van nonnen, die gevangen zaten. Ik had een voorgevoel dat dit hier moest wezen. Op zekeren dag zag ik een non aan de rechterzijde van de kelder voor de deur eener cel staan. Blijkbaar sprak zij met iemand. Dat trok mijn opmerkzaamheid. De deur was met een zwaren ijzeren boom, die in de posten vatte, van boven dicht gemaakt, maar het tralievenstertje daarboven was open, en door deze kleine opening fluisterde de non met iemand, die zich in de cel bevond. Ik haastte mij mijn werk te verrichten en ijlde weg, vermoedende, dat deze cel een gevangenis was. Toen ik op een anderen tijd weer in de kelder moest wezen, besloot ik de zaak te onderzoeken. Ik trad op het venstertje toe, maakte eenige beweging en legde mijn oor er tegen; terstond fluisterde mij een stem toe. Ik vreesde voor ontdekking; na enkele woorden gewisseld te hebben, wat ik niet voor zonde hield, verwijderde ik mij derhalve spoedig. Mijn nieuwsgierigheid was geprikkeld; nu moest ik er meer van weten. Ik deed daaromtrent eenige vragen aan Xaverira, die mij zeide, dat daar nonnen opgesloten zaten, die gehoorzaamheid hadden geweigerd aan den bisschop, de abdis en de priesters. Later bevond ik dat meer nonnen van deze opsluiting iets afwisten, maar alles wat zij mij zeggen konden was dit, dat die nonnen daar sedert verscheidene jaren reeds zaten. Hare namen, betrekkingen, overtredingen, of wat haar meer betrof, kon ik niet te weten komen.

Ik sprak dikwijls met een dezer gevangenen, als ik voorbij haar cel ging; nimmer echter waagde ik het, om lang te blijven staan of veel te vragen. Zij waren terughoudend en niet zeer tot spreken gezind, wat mij niet verwondert, als ik haren toestand en het karakter van vele nonnen in het oog houd. Dag^ijks kregen zij dezelfde spijzen als wij.

Haar cellen werden nu en dan schoon gemaakt en dan werden de deuren geopend. Ik durfde niet naar binnen te zien, maar men zeide mij, dat zij op den naakten grond huisden. Zij sliepen waarschijnlijk op stroo, daar, als de cellen gereinigd waren, er altijd siroo in den omtrek lag. Ik vroeg eens aan een van haar, of zij met elkander spreken konden en zij antwoordde: „Ja, door een kleine opening in den muur." Ook vroeg ik eens aan een van haar of ik haar ook van dienst kon wezen. „Ja," zeide zij, „roep mij Johanna Ray, en laat zij dadelijk hier komen als zij weg kan sluipen. Ik deed terstond wat z j mij verzocht en sprak bij die gelegenheid met Johanna een teeken af voor het vervolg, als soms dat verzoek herhaald mocht worden.

Zij zocht een voorwendsel om in den kelder te komen en sprak met de arme gevangene, aonder dat iemand het vermoedde. Johanna was dan toch niet zoo waanzinnig, of zij had nog medelijden met ongelukkigen. Zij sprak haar vaak een vertroostend woord toe of verborg

Sluiten