Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kamer der abdis en hoorde haar een opmerking maken over den eenvoud van haar ameublement. Ik zeide haar: „Gij zijt niet hoogmoedig en zult daarover dus niet ontevreden wezen." „Neen," antwoordde zij, „maar het is op de hoeve der priesters toch alles'prachtiger ingericht. De minste kamer daar is fraaier dan mijn schoonste."

Eens maakte ik vuur in de kamer der abdis aaD, toen een priester met haar sprak over geldgebrek. „De priesters," zeide hij, „nemen weinig geld af voor gebeden, meer voor biecht en aflaat."

Een der opmerkelijkste en onverklaarbaarste gebeurtenissen was mij het plotseling verdwijnen van onze oude abdis. Zij had gedurende den geheelen dag haar plicht waargenomen als gewoonlijk en was geheel dezelfde geweest als anders. Zij had geen verschijnselen van ziekte vertoond; geen onrust, angst of zwaarmoedigheid was uit haar doen op te merken. Wij hadden ook geen grond om te vermoeden, dat zij eenig ongeluk had gekregen. Na afloop van onze dagelijksche bezigheden en van het avondgebed verliet zij ons als naar gewoonte om te gaan slapen. Den volgenden morgen begaven wij ons, als altoos, naar de gezelschapszaal, om ons morgengebed te doen. Daar vonden wij nu, tot onze verbazing, den bisschop Lartique, maar de abdis was nergers te zien. In haar plaats sprak ois de bisschop aan en zeide ons, dat de dame, die naast hem stond en die hij ons voorstelde, r u abdis van het klooster was; en hij beval ons, om dezelfde gehoorzaamheid en eerbied aan haar te bewijzen, welke wij de vorige abdis bewezen hadden.

De dame, die ons werd voorgesteld, was ten vac onze oudste nonnen, St. Du ...., ean groote, zware vrouw, die zich zeer langzaam en soms zeer moeilijk bewoog. Er werd geen woord gesproken over de oorzaak van deze verwisseling of over het lot der voorgaande aodis. Lij de eerste gelegenheid de beste vroeg ik aan een oude non, m wie ik een weinig vertrouwen stelde, wat er toch van de abdis geworden was. Zij wist er evenveel van als ik, maar liet niet onduidelijk haar vermoeden doorschemeren, dat de abdis op bevel des bisschops was vermoord. Nergens kreeg ik licht omtrent dit plotseling verdwijnen. Ik ben innig overtuigd dat, zoo de bisschop bijzondere reden had om zich van haar te ontdoen, hij daartoe genoegzame macht bezat. Johanna Ray kon, volgens haar gewoonte, zoo iets niet laten voorbijgaan, zonder haar vermoeden hardop te kennen te geven, wat anders niet één non zou hebben durven wagen. Op zekeren dag zeide zij in de gezelschapskamer, ten aanhoore van allen, hardop: „Ik wil in den kelder gaan, om mijn oude abdis te zoeken." „Stil, Johanna ! riepen eenige nonnen, „gij zult u straf op den hals haien." Zij antwoordde: „Mijn moeder placht te zeggen, dat ik voor een mannengezicht niet bang behoef te wezen."

Men kan het niet vreemd vinden, dat wij bijgeloovig waren. De

Sluiten