Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een was voor onverklaarbare verschijnselen en vreemde geluiden nog banger dan de ander, maar allen geloofden wij toch aan spoken en zagen ze ieder oogenblik tegemoet. Ik heb menigmaal bijgewoond, dat dit bijgeloof opschudding verwekte en menigmaal heb ik zelve ondervonden, dat het mij ongerust maakte. Ik was op zekeren dag in de gezelschapskamer naast een oude non zittende, bezig aan het verstellen van voorschooten, toen St. Agnes haastig binnen kwam en de non iels in het oor fluisterde. Gewoonlijk sprak zij zeer weinig, en dit maakte mij derhalve nog nieuwsgieriger. Ik hoorde haar zeggen : „In de kelder, van waar wij komen, wordt akelig gezucht." Dit was voldoende om mij bang te maken. Het verschijnen van een boozen geest in den kelder kon ik mij niet voorstellen, want men had mij gezegd, dat de eenige geest, dien men gezien had, die non was geweest, die met een ongebiechte zonde gestorven was, en dat alle andere verte van het klooster werden gehouden door wijwater, dat men in alle deelen daarvan overvloedig sprenkelde. Evenwel geloofde ik, dat het geluid, dat St. Agnes had gehoord, van den een of anderen duivel kwam en beefde terug bij de gedachte, dat ik mogelijk ook wel eens in den kelder zou moeten we/.en. Ik besloot om bij de verschrikte non nadere berichten in te winnen. Maar toen ik haar daarover in or.s uurtje van vrijaf aansprak, zeide zij: „Gij verleidt mij altoos om het zwijgen te verbreken," en ging naar een andere zijde van de zaal, zoo-at ik nog even weinig wist.

Het is opmerkenswaardig, dat ons bijna alle gelegenheid werd benomen otn iets van elkander te weten te komen. Ér waren nonnen bij ons, van wie ik volstrekt niets wist, ofschoon wij, vier jaren lang, met. elkander dag en nacht in dezelfde kamer waren geweest. Ik wist dat er één non in het klooster was, uit wier mond ik gaarne iets vernemen wilde, maar ik heb haar nooit kunnen uitvorschen. Zij was een dochter van een rijke familie te Poit aux Trembles, en ik hoorde mijn moeder van haar spreken, vóór dat ik in het klooster ging. Zij was een Europeesche cn haar naam was Lafayette. Ik wist dat zij zwarte non was, maar aangezien ik haar heiligen naam niet kende, bleven al mijn navorschingen vruchteloos.

Ik had gehoord, dat in den laatsien oorlog een non uit het klooster was gevlucht. Ik vroeg daar de abdis eens naar. Zij zeide dat het waar was, maar van den naam, de familie of de vlucht dier non kwam ik niets te weten.

Sluiten