Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo wat een jaar vóór mijn vlucht werd ik het eerst gebeid als hulp m een afzonderlijke ziekenkamer en van toen tot aan miin vlucht gebeurde dat meermalen. Ik had toen natuurlijk geleeenheid om het getal en den stand der daar verzorgde kranken naua-keuri* waar te nemen. Ten aanzien van hetgeen ik daaromtrent za*. b-roen ik mij vol vertrouwen op de getuigen van een ieder, die daaromtrent is ingelicht. Zulks zijn echter zij niet, die het klooster uit nieuwsgierigheid of als novice bezoeken. Vraagt er haar niet naar. Zij welen niet eens dat er zulke afzonderlijke ziekenkamers bestaan. Zij zijn er evenvrel en ik zou er veel van kunnen verhalen.

Op zekeren nacht moest ik bij een ouie non, St. Clara, waken. Zij was gevallen, had een lid verstuikt en lag in een kamer, d-e aan het gasthuis grensde. Zij scheen tusschenbeide niet goed bij haar verstand te wezen. In dien nacht was ze heel wel.

Wat haar bewoog om mij haar mededeelingen te doen, was de beweging, welke ik maakte, om met het licht uit haar kamer in de aangrenzende grootere te gaan, ten einde naar de zieken te zien. Och! laat mij toch niet in donker, bad zij; ik ben in dit klooster van zooveel gruwelen en moorden getuige geweest, dat ik niet meer zonder licht of zonder gezelschap, alleen durf te wezen. Neemt gij u oo' maar in acht j er zijn hier zoovelen, aan wie het verraad welkom is.

Was het dankbaarheid voor mijn zorgvuldige oppassing, die de oude non zoo vriendelijk maakte ? Van te voren was zij z >o vriendelijk niet, toen zij de nachtwacht had op onze slaapzaal. Hoe dit zij, zij bleef bij het bloote vermelden van moorden, aan nonnen gepltega. zij trad niet dieper in de zaak in. Het eenige wat zij meer verhaalde, had betrekking op de gruwzaamheid waarmede die moorden werden gepleegd, als die nu eens met hongersdood gepaard gingen eP dan weer met het afknijpen van vleesch tot op de beenderen door jni ldel van gloeiende tangen.

Het was iets heel ongewoons, als men een non medelijden hoorde betuigen. Gewoonte maakte ons ontoegaEkelijk voor mededoogen met het lijden van anderen en onbekommerd en zorgeloos omtrent onze eigene zonden. Ik zelve was reeds zoo verhard geworden, dat ik het, zelfs r.u nog, dikwijls moeilijk vind, om de ingezogen begrippen van goed en kvaad te verzaken.

Ik moest op zekeren tijd eenige ledige flssschen uit den kelder sclioocmaiicn, waarin de vloeistof geweest was, welke ik zeide te gehoven, dat in den grafkuil werd uitgestort. Een aantal daaraan werden uit den hoek in den kelder gehaald, op de bovenste trap neergezet en daö door ons weggenomen om te worden omgespoeld. Als tu een drop van dat vocht op onze kleederen spatte, dan vielen er terstond gaatjes ia- Ik geloof dat men die vloeistof vitriool of zooiets noemde,

Sluiten