Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ik hoorde wel eens vertellen dat aij de lijken, tot zelfs de beenderen verteerde. Eens ook werd er ons iets van gegeven, met water gemengd, om er linnen voor een begrafenis mede te verven. Onze handen werden er zeer zwart van, maar dan gaf men ons een vocht, met water aangemengd, en dan werden zij rood.

Op zekeren dag ontstelde ik zeer, toen ik in de kamer trad van gewetens-beproevingen en aan een touw, dat aan de zolder was vastgemaakt, een r>on zag hangen met de beenen omhoog. Haar kleed was aan haar voeten vastgebonden, zoodat het niet naar beneden kon vallen en haar hoofd hing slechts een klein eindje van den grond. Haar gelaat was afzichtelijk di's opgezwollen, hare handen waren gebonden, en zij had een bal in den mond. Deze non was Johanna Ray, om de een of arde re overtreding tot deze straf veroordeeld

Dit was niet het eenige geval van dien aard. Ik hoorde van velen dat zij opgehangen waren en ik zelve heb aan St. Hypolita en St. Lucia deze straf zien voltrekken. Zij werd als zeer pijnlijk beschouwd en was van alle straffen, welke Johanna Ray had ondervonden, de eenige welke zij niet kon uithouden.

Eenige der nonnen zinspeelden daar naderhand wel eens op in hare tegenwoordigheid, maar dan werd zij zeer boos.

Als wij de kamer der gewetensbeproeving wilden bezoeken, moesten wij daartoe eerst verlof vragen, en telkens werd ons dit na eenige aarzeling toegestaan, met de uitdrukkelijke vermaning, dat wij het hoofd voorover en de oogen op den grond houden moesten.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Als ik het met esnige gerustheid doen kon, liet ik geene gelegenheid voorbijgaan, om den armen gevangenen een woord toe te spreken. Lang geloofde ik, dat zij zusters waren; later vernam ik dat dit niet zoo was. Zij waren gedurig in angst voor hardere straffen, als men haar betrappen mocht op een samenspraak. Zij vroegen dikwijls: . daar komt immers niemand ?"

ik kon gemakkelijk gtlooven, wat ik van anderen hoorde, dat angst haar groote straf was. In het donker opgesloten, tot zulk een enge mte bepaald, in diepe eenzaamheid, zonder hoop op verlossing, al••i nog akeliger wending van haar lot vreezende, zoodra de bisschop .1 de abdis dit maar in den zin kregen — welk een leven was dit?! Dcch die arme schepsels moesten iets geweten hebben van de gruwe* i n, die in andere de;Ion van het klooster waren voorgevallen, van

Sluiten