Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't klooster der zwarte nonnen waren drie kamers, die ik nim* mer betrad. Ik had wel groote vrijheid genoten en, zooals ik meende, alle kamers bezocht. Maar op zekeren dag zag ik een oude non in een kamer aan de noordzijde van den westelijken vleugel, in de hoek, de punt harer schaar in een opening steken en een deur ontsluiteD. Dit verrastte mij; ik hal daar nooit een deur ontdekt. Toen ik er naderhand onderzoek naar deed, zag ik, dat ik er van buiten niets aan kon ontdekken. Ik trad binnen om te zien, hoe het daar gesteld was, en zag dat er drie kamers in elkander liepeD. De non wilde mij echter niet binnen laten. Zij scheepte mij af met de aanmerking, dat hier eenige benoodigdheden bewaard werden. Zij sloot de deur. Later had ik geen gelegenheid om iets daarvan te ontdekken. Altijd was

:L ï u .. — v—:i_ J:._ i — »„ 1

ik wel nieuwsgierig om het gebruik dier kamers te kennen, omdat ik vermoedde dat zij opzettelijk voor mij gesloten werden gehouden, om den wille van een of ander geheim, maar nooit kon ik er binnen komen.

De abdis had mij, bij mijn opname, den toegang gegeven tot alle vertrekken. Ik zag kamers, die getuigden van gruwel en zonde, onder haar opzicht begaan. Maar hier vond ik meer dan een vertrek, dat mij onbekend was gebleven tot r.u toe en waarvan zeker weinig wisten. Met bewonderenswaardige kunst was de deur in den muur verborgen. Ik sprak er over met Johanna Ray. „Wij zullen wel zien - vt het is," zeide zij, maar nimmer vonden wij er gelegenheid toe.

Ik was nieuwsgierig, of zulke tooneelen als de moord op St. F; cisca meermalen plaats hadden. „O ja," zeide Johanna, „toen novice waart, is het meer dan eens gebeurd, al hebt gij er niets van gehoord."

Dat was alles, wat ik van zulke geschiedenissen vernam. Ik heb reden om te gelooven, dat zoodanige moorden altoos door verstikking worden gepleegd.

Ik trad eens in de kamer der abdis en vond daar Johanna Ray alleen. Zij doorbladerde met groote belangstelling een boek. Op mijn vraag wat het was, gaf zij een ontwijkend antwoord, en ik mocht het boek niet zien. Er staan twee boekenkasten in die kamer. In de een stonden de boeken waaruit ons werd voorgelezen, in de andere naar het scheen rekeningboeken.

Als ik de kamer aanstofte, zat daar wel eens de sleutel in; maar het was mij nooit ingevallen, om die kasten te openen. Dat was mij dan ook streng verboden, en ik wilde noch zondigen, noch boete beloopen.

Later moest ik met Johanna de kamer in orde brengen. „Kom,1 aeide zij, „laat ons nu eens zien, wat er in.die boeken staat." Ik stemde toe. Wij namen een groot, dik boek van de plank. „Ha," zeide Johanna, „nu hebt gij er in gekeken. Als gij het nu van mij

Sluiten