Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrees dat een kind, hetwelk mij moeder zou heeten, vallen zou in de moordende hatdea mijner gezellinnen, of dat een drank mij zou worden toegediend, wier verwoestende kracht ik in anderen had leeren kennen.

Op zekeren avond voelde ik deze zucht om te vluchten heviger ODtvlammen dan vroeger, en wat ik ook deed om die te onderdrukken, het baatte niet. Gedurende het avondgebed zelfs hield zij mij bezig, en in de ure des innerlijken gebeds, waarbij ik anders gewoonlijk in slaap viel, hield zij mij wakker. Toen de andere nonnen naar de slaapzaal gingen, begaf ik mij op mijn post in de afzonderlijke ziekenkamer naast de kleine gezelschapskamer.

Hier wierp ik mij op de sopha en, aangezien ik alleen was, bepeinsde ik hoe het best mijn vlucht te bewerkstelligen. De dokter kwam kort daarna, tegen half negen, en ik moest hem weer vergezellen met papier, pen en inkt.

Wat ik opschreef, we;t ik niet meer. Ik was al te opgewonden. Ik herinner mij alleen, dat, toen hij de ronde had gedaan, wij weer naar de kleine gezelschapskamer terugkeerden.

Van deze kamer geleidden twee wegen naar de straat. De eerste en naaste door de gang naast de aangrenzende ziekenkamer. Deze kwam uit op een deur, toegang gevende tol den kloostertuin, waarin een zijpoortje was. Deze is de weg, dien de dokter gewoonlijk neemf bij nacht, waarom hij dan ook van dat poortje een sleutel h:eft Dezen weg kon ik moeilijk inslaan, want in een huisje naast dat pourtje waakt eiken nacht een man; ik zou dus licht ontdekt zijn geworden. Mijn hoop was dus gevestigd op de andere weg. De«e liep uit de ziekekamer door een ander kamertje, waar zich gewoonlijk een oudi non ophield; van daar leidde een gang, langs de trappen, naar den hof en aldus naar de groote poort, die in de zijstraat uitkwam. Ik mocht de ziekenkamer niet verlaten en wist dat de meeste deuren gesloten waren; toch nam ik mij voor het te beproeven. Sedert dien tijd heb ik er dikwijls over nagedacht, waardoor ik toch aan den moed kwam, om zulk een schijnbaar onmogelijke taak te durven ondernemen. Doch ik deed het, niet eens denkende aan de straffen, die ik gevaar liep te ondergaan, als ik ontdekt werd.

Het was alsof ik handelde onder den indruk van een aandrift van buiten. Nauwelijks was de dokter vertrokken en had ik weder een oogenblik op de sopha gezeten, of ik sprotiS op, vast besloten om mijn vlucht te beproeven. Ik ging driftig door de ziekenkamer, kwam in de kamer der oude non, spoedde mij haar voorbij, en zei, zonder haar den tijd te laten : „een boodschap." In het volgende oogenblik had ik de deur achter mij toegedaan en stond in de gang. Waarschijnlijk heeft de haast, die ik maakte, en het korte woord, dat ik haar toesprak, haar in den waan gebracht, dat de abdis mij ergens

Sluiten