Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laven te berooven. Zij veraocht mij, dat ik haar *ou verlaten en toch niet van haar spreken xou, als ik soms binnenkort hoorde, dat een vrouw iich in de rivier had verdronken. Ik vroeg haar, of lij dien dag al iets gegeten had, waarop zij „neen" antwoordde. Ik gaf haar daarom geld om iets uit den naastbij gelegen winkel te gaan koopen. Zij verliet mij, maar ik zag haar dwars over het veld naar de rivier gaan. Ik haalde haar in en bewoog haar, met klemmende redenen, naar teker huis te gaan, waar zij alles kon krijgen wat lij noodig had, daar ik mij borg stelde voor haar en alles betalen wilde. Toen lij ook dit nog niet aannam, overreedde ik haar, met zeer veel moeite, om raar een armenhuis te gaan. Hier werd zij door mijn tusschenkomst opgenomen, nadat ik beloofd had te zullen terugkomen om haar op te zoeken, daar tij mij, gelijk «ij zeide, iets ««wichtigs omtrent Montreal had mede te deelen en mij verroeken wilde, daarheen voor haar te schrijven. Zij sprak met zooveel waarheid, dat ik gc-«n oogenblik aan hare geschiedenis twijfelde en deze aan sommige mijner bekenden, in de volste overtuiging van hare geloofwaardigheid, mededeelde. Zij scheen overweldigd door kommer en der vertwijfeling nabij. Ik zag haar soms, twee uren lang, zonder ophouden weenen, en toen zij beproefds te gaan, was zij zoo zwak, dat twee van ons haar ondersteunen moesten. Wij merkten ook op, dat zij de handen bestendig onder haar voorschoot gevouwen hield, zooals zij in haar „boekje" als de plicht der nonnen had opgegeven. Ik sprak in het armenhuis dikwijls van haar. Maar daar ik haren naam vergeten had, kon ik niet» van haar te weten komen, dacht eindelijk nauwelijks meer aan haar en zag haar ook niet voor verleden week. Toen ik eenige uittreksels uit haar boekje in een nieuwsblad las, hield ik mij overtuigd, dat het de geschiedenis was van diezelfde vrouw en ik werd daarin bevestigd toen ik het slot las. Toen ik haar daarna weder zag, herkende ik haar dadelijk, ofschoon zij mij niet herkende, daar ik geheel anders gekleed was. Ik vond in haar geheele boekje niets wat «treed met hetgeen zij mij had verhaald bij onze eerste ontmoeting. Toen ik haar in Mei 1836 weder zag, wilde zij blijkbaar iets voor mij verbergen. Zij hield een brief in de hand, die zij mij niet wilde laten lezen en toen ik de houding aannam, alsof ik dien wilde nemen, scheurde zij hem in kleine stukken. Eenige dagen daarna kwam ik weer op dezelfde plaats en zocht de verscheurde stukjes zorgvuldig bij elkander, maar kon er niets van maken. Ik kon alleen het onderschrift lezen „Maria". Aan de waarheid van haar geschiedenis twijfel ik in geen geval.

PETER JENKINS, Commissaris. JOHN HILLIKER.

Sluiten