Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan de behoefte, om steeds over de a van 435 tr. te kunnen beschikken tot het aangeven of het controleeren van den toon, hebben de stemvork en het stemfluitje hun ontstaan te danken. Ze laten dien toon of de 2 tonen hoogere c («lus c*) hooren.

11. De met een der 7 letters benoemde tonen worden stamtonen genoemd, om ze te onderscheiden van tusschenliggende tonen, die er van afgeleid zijn, en dan ook den naam van afgeleide tonen dragen.

Op de afgeleide tonen, die in 't toonstelsel een niet minder belangrijke plaats innemen dan de stamtonen, en alleen maar van wat later oorsprong zijn, komen we later terug.

12. Alle tonen, zoowel de afgeleide als de stamtonen, van de besproken 8 octaven zijn in de hedendaagsche muziek in gebruik.

Er is echter maar één muziekinstrument, het kerkorgel, dat in staat is ze alle voort te brengen. En dat moet dan nog wel van de grootste soort zijn: voor C! is een orgelpijp noodig van '61 voet of ruim 10 Meter lengte.

De overige instrumenten beschikken ieder slechts over een grooter of kleiner deel van het toonstelsel: de piano over het grootste, de contrabas over het laagste — E' tot g —, de piccolo of octaaffluit over het hoogste — c' tot cs —.

Strekt het gebied van de instrumentale muziek zich dus over het geheele toonstelsel uit, dat van de vocale of zangmuziek omvat slechts de middelste 4 octaven: het groot. het klein, het een- en het tweegestreept octaaf.

Behoudens een enkele uitzondering reikt de zwaarste mannenstem niet lager dan C; de hoogste vrouwenstem niet hooger dan c'.

Sluiten