Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ken noot staat op een lijn, wanneer die lijn er middendoor gaat; tusschen twee — altijd opeenvolgende — lijnen, als ze beide lijnen raakt, behoudens één enkele uitzondering, waarover later.

De grootte der noten is alleen van belang voor de duidelijkheid van het muziekschrift, en wordt geheel bepaald door den afstand tusschen de lijnen.

16. Door bij de 5 plaatsen op, en de 4 plaatsen timchen de lijnen of in de spaties, nog 1 plaats onder de eerste en 1 plaats boven de vijfde lijn te voegen, krijgt men op een notenbalk 11 in hoogte verschillende plaatsen, waarbij op een lijn steeds een spatie, op een spatie weer een lijn volgt.

Hoe hooger toon, hoe hooger plaats; een reeks van 11 opeenvolgende stamtonen wordt dus op den notenbalk voorgesteld als:

ol in den anderen notenvorm, als:

17. Zonder nadere aanwijzing zou het muziekschrift geheimschrift blijven, omdat uit niets op te maken is, van welke tonen deze noten de voorstelling zijn. Er bestaat dus behoefte aan een uitgangspunt, aan de aanwijzing van een vaste plaats voor een bepaalde noot.

Die aanwijzing wordt gegeven door een teeken, dat men vooraan den notenbalk plaatst, en dat, als middel om 't geheimschrift te ontraadselen of te ontcijferen, den naam van sleutel draagt.

Een sleutel wijst altijd een lijn aan.

Sluiten