Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V. MAATLEER.

46. Van 't begin tot het eind van een muziekstuk verloopt een zekere tijd.

Men kan dien tijd in kleine gelijke deelen verdeelen, en ieder deeltje door een tik — van een uurwerk b.v.b. — voorstellen. Denkt men zich nu die deelen tot evengroote groepjes vereenigd, en de tik van het eerste deeltje van elke groep wat sterker of meer geaccentueerd dan de andere, dan heeft men een voorstelling van muzikale maat.

Elk groepje is een maat; de deeltjes in iedere groep heeten maattijden of maatdeelen.

Over deze maatdeelen worden de tonen verdeeld; de maatdeelen of kleine tijden worden als 't ware gevuld met tonen, en daarbij krijgt de toon op het eerste maatdeel altijd den meesten nadruk of 't meeste accent.

Voor 't gehoor is dus „maat" niets anders dan het regelmatig terugkeeren van accent in een reeks opeenvolgende tonen.

Drie gevallen kunnen zich voordoen:

1. Een toon vult juist één maatdeel;

2. Een toon eischt meer dan één maatdeel, strekt zich dus over meer maatdeelen uit;

3. Een toon vraagt slechts een gedeelte van een maatdeel, zoodat er meer tonen in één maatdeel voorkomen.

Eerst nadat de componist, de schepper van een muziekwerk, bepaald heeft door welke notenwaarde hij den toon zal voorstellen die één maatdeel vult, kan zijn werk zichtbaar, dus in noten, worden voorgesteld.

We zullen nu verder de maatleer naar aanleiding der zichtbaar voorgestelde muziek behandelen.

Sluiten