Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Is duidelijk, dat een interval en zijn omkeering samen juist een octaaf vormen, waaruit dan volgt de definitie:

De omkeering van een interval is zijn aanvulling tot een octaaf.

Dus is de omkeering van een prime — een octaaf, van een seconde — een septime, van een terts — een sext, van een quart — een quint, enz., hetgeen in noten voor te stellen is door:

De onderste intervallen zijn de bekende uit de majeurtoonladder, dus groote of reine. Gaat men nu de grootte der bovenste intervallen na, dan blijkt, dat de omkeering of aanvulling van elk rein interval rein, die van een

groot interval klein is.

De bovenste intervallen zullen we nu afzonderlijk nemen:

Ze worden gevormd door ieder der tonen van de toonladder met het octaaf van den grondtoon.

De gemakkelijk te onthouden reeks

rkkrrkkr

gaat natuurlijk weer op voor alle majeurtoonladders, en brengt ons tot den regel, dien we bij de berekening van alle onderintervallen toepassen:

In elke majeurtoonladder zijn de intervallen, vanaf het octaaf gerekend, rein of klein.

Sluiten