Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

normaaltoonladder voor de mineursoort, zooals c die voor de majeur is.

In alle melodische mineurtoonladders liggen derhalve, evenals bij haar normaaltoonladder, de kleine seconden of halve tonen (/.ie 81) in de rijzing tusschen 2 en 3 en tusschen 7 en 8; in de daling tusschen en 5 en tusschen 3 en 2.

119. Vóór we de andere mineurtoonladders gaan samenstellen, zullen we eerst een vergelijking maken tusschen de melodische mineur van a en haar gelijknamige majeur, of die met denzelfden grondtoon.

Om beter te kunnen vergelijken, plaatsen we ook in de majeurtoonladder de teekens vóór de noten:

Dadelijk merken we op, dat de 2 rijzingen slechts in één toon verschillen: in de terts op den grondtoon. Bij de mineur is zij c, dus klein; bij de majeur cis, dus groot. Juist aan die terts ontleenen de diatonische toonladders haar soortnaam: mineur van 't Latijnsche minor: de kleinere, majeur „ „ major: de grootere,

en naar denzelfden maatstaf noemt men

de mineur: kleine tertstoonladders,

de majeur: groote tertstoonladders.

Overigens is er in de 2 rijzingen geen verschil.

Om de rij zing van een mineurtoonladder te maken, heeft men dus alleen de terts van de gelijknamige majeurtoonladder te verlagen.

Sluiten