Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXI. DE MENSCHELIJKE STEM.

161. De organen of werktuigen, die dienst doen bij het voortbrengen der menschelijke stem, vormen 3 groepen:

1. de motorische of (voortdrijvende,

2. de vibreerende of trillende,

3. de resoneerende of meeklinkende.

De eerste groep verschaft en drijft den luchtstroom, de tweede doet den toon ontstaan, de derde versterkt dien en geeft er den bijzonderen klank aan.

162. De motorische groep bestaat uit de longen en de luchtpijp, met de spieren, die erop werken.

De longen vullen bijna de geheele borstholte, de ruimte in de bovenhelft van het lichaam, die voornamelijk door de wervelkolom, de ribben en het middenrif wordt begrensd.

Ze zijn eigenlijk niet anders dan de voordurend fijner wordende vertakkingen der luchtpijp, die in kleine veerkrachtige blaasjes — de longblaasjes — eindigen, en doorweven zijn met tallooze kleine bloedvaten.

De rechterlong bestaat uit 3, de linker uit 2 deelen of kwabben; tusschen beide longen liggen: de luchtpijp met haar twee groote takken, de bronchiën, — de slokdarm ^ en het hart met de groote bloedvaten. Bij de inademing wordt de borstholte door spierwerking van de tusschenribspieren en het middenrif vergroot; daardoor kan de buitenlucht toetreden en de longen vullen.

Bij de gewone uitademing is geen opzettelijke spierwerking noodig: de veerkrachtige longblaasjes, door de ingeademde lucht opgeblazen, trekken zich samen, en drijven de lucht door de luchtpijp en haar bovenste uiteinde — het strottenhoofd — naar buiten.

Sluiten