Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zachte gehemelte, dat in een smal aanhangsel, de huig, eindigt, vervult de rol van klep tuschen keel- en neusholte. Het kan n.1. opgeheven worden naar den achterwand van de keelholte, die zich daarbij iets naar voren uitzet, en sluit dan den toegang tot de neusholte volkomen af.

Aan weerszijden loopt het zachte gehemelte naar beneden af in twee bogen — de voorste en achterste gehemeltebogen, waartusschen ter weerszijden de amandelen liggen en waardoorheen men in 't midden de huig ziet hangen. De gehemeltebogen vormen de grens tusschen mond- en keelholte. Van voren wordt de mondholte begrensd door de snijtanden, en van onder door de tong, een spiermassa, die met haar wortel aan 't tongbeen, en opzij en van onder aan de binnenvlakte van de onderkaak is vastgehecht. De spiervezels der tong, die elkander in alle richtingen kruisen, zijn zeer elastisch, en verleenen haar een groote beweeglijkheid.

De ruimte tusschen de snijtanden en de lippen, die weinig met de toonvorming te maken heeft, wordt ook wel voorste mondholte genoemd.

De neusholte wordt loodrecht in tweeën gedeeld door het middelschot of neusbeen, dat zeer veerkrachtig is en krachtig resoneeren kan, en staat door nauwe openingen met nog andere holten: de voorhoofdsholte, de kaakholte en andere kleine ruimten in gemeenschap.

165. Na deze vrij uitvoerige beschrijving zal 't gemakkelijk vallen de vorming der stem te begrijpen.

De stem ontstaat in 't strottenhoofd, doordat een luchtstroom , met kracht door de luchtpijp opgevoerd, de randen der stembanden, die zich dan vrij dicht aaneensluiten, in trilling brengt.

Wil die luchtstroom krachtig genoeg wezen, dan dienen vooraf de longen door flinke inademing met lucht gevuld te zijn.

Sluiten