is toegevoegd aan uw favorieten.

Eduard Douwes Dekker

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in '78 te Prigen gelogeerd te hebben, in het Ardjoenogebergte, met den heer Mispelblom Beyer, toen gewezen resident van Besoeki of Banjoewanggi. Nog zie ik het bankje onder den hoogen, breedgetakten ketapan, waar we zaten, hij vertellend van jaren her, ik eerbiedig luisterend.

„Eens op een morgen," zei de heer M. B , „kwam hij bij me en vroeg: „Heb je ook tien duizend gulden voor me te leen?" Hij wist heel goed, dat ik, zoo min als hij , geene tien duizend duiten bezat, en ik begon te lachen. Hij werd boos en ging weg. Eerst na een dag of zes zag ik hem weer en toen vroeg hij mij: „Wil je borg voor me zijn voor tachtig duizend gulden?" Natuurlijk antwoordde ik, dat niemand mij als borg voor zoo'n som aannemen zou, en weigerde dus. „Dat was de vraag niet," riep Dekker driftig, „ik vroeg maar, of je wou. En je wilt niet. Daaruit kan men zien, datje niet weet, wat vriendschap is. Ik zou 't voor jou gedaan hebben ; loop jij nu voor mijn part naar den bliksem." Hij ging weer boos weg en ik heb hem in geene twee maanden weer gezien. Toen, op een Zondag, in den vooravond,