Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij den heer Permentier, commies op het Residentiekantoor. Cateau is volgens Dekker „een mooi meisje, zeer blank, draagt het haar

la chinoise, heeft van de natuur mooie witte tanden ontvangen en van de kunst een aardigen glimlach; haar wit baatje was wat kort van lijf."

Den eersten avond „den besten" kijkt hij haar nog al strak aan en rapporteert hij aan Tine: „Ik zal waarschijnlijk niet kunnen laten dat meisje mijn hof te maken."

Een paar dagen later heeft dit al plaats gehad ; hij heeft haar gezegd, dat hij zich zou gehaast hebben eer naar Poerwakarta te komen, als hij geweten had, dat daar zoo'n lief meisje was. Ze wandelden samen; Cateau begrijpt van zijn engagement niets en van zijne redeneeringen waarschijnlijk niets anders, dan dat hij verliefd is op htór, en binnen heel korten tijd vormt Dekker, als Cateau's protector, eene mogendheid, vijandig tegenover alle andere Poerwakartasche mogendheden.

Veertien dagen na zijne komst te Poerwakarta resumeert hij een gesprek met Cateau aldus: „ik houd veel van je, ik vind je een lieve meid, maar bovendien het gaat je niet goed en dat

Sluiten