Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

Everdine was zoo ver —■ hij zoo dichtbij; al die verhalen waren als een sprookje: voor alles, wat Ottilie hem oraf, zou Everdine haar zegenen; misschien, vrij zeker zelfs, heeft hij een brief vóórgeschreven aan Tine, dien zij overschrijven en naar Cassel zenden zou; — het genot was zoo heerlijk vandaag — en morgen scheen zoo ver; het dagelijksch leven is zoo eentonig en plat, zoo vol afwisseling en zoo verheven zijn droomenwereld — o, hare liefde voor hem is begrijpelijk. Een meisje met minder beschaving, met minder ziel, zou meer kracht als tegenweer bezeten hebben; zij geeft zich en, als hij haar straks verlaten heeft, bewaart ook zij reliquieën: een zakdoek, een horlogeglas , een verdord bloempje — en ook haar hart blijft trouw. Zeker, hij zou schrijven, zeker, zeker — maar die belofte is voor hem niet te houden Twee jaren lang hoort zij niets van hem en denkt natuurlijk, dat hij dood is Zulk een man zijn woord niet houden, zoo heilig haar gegeven — daaraan denkt zij niet.

Eindelijk, in het voorjaar van '61, brengt het

Sluiten