Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bekend zijt dan de meeste anderen, dat getuigenis niet zult wraken.

Maar in Uwen brief is slechts sprake van één feit. Ik heb dus alleen omtrent dat feit te antwoorden.

Het zal geweest zijn in 1858 of in 1859 (in ieder geval vóór de uitgave van den Max Havelaar), dat, terwijl ik in den Haag was als lid der Tweede Kamer, Douwes Dekker verzochj mij te spreken.

Hij deelde mij (in substantie) mede, dat hij toen te Brussel zich met literarischen arbeid bezig hield; dat hij op reis naar den Haag (ik weet niet precies meer hoe) zijn beurs verloren had, zoodat hij geen geld had, om naar Brussel terug te keeren.

Ik heb hem toen ƒ 50 aangeboden, die hij heeft aangenomen.

Hoe dat feit nu publiek is geworden, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Dat ik het niet zelf rondgebazuind heb, zult U wel willen gelooven. Er was ook waarlijk geen reden voor!

Maar onmogelijk is het niet, dat ik het aan dezen of genen mijner vrienden heb medegedeeld, ofschoon ik het mij niet herinner.

Meerkerk, Multatuli. 12

k

Sluiten