Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III.

Dekker schrijft zijn Max Havelaar. Het stroomt sympathiën. „Wel zes dominees", schrijft hij aan Tine, „op één dag." Hij zal er eindelijk zijn en staat verbaasd over zooveel bijval. Hij wil zich geven, zooals hij is, geniaal en „tuchteloos' — het woord is van Buys — en alle sympathie verdwijnt plotseling. „Hoe grooter geest, hoe grooter beest", zeggen de zes dominees en de anderen. Alleen het jonge Nederland pakt hij in, de vrouwenwereld raakt in rep en roer en springt uit den al te engen band.

Na den eersten schrik en na den eersten roes erkennen toch eindelijk enkelen, dat er wat moet gedaan worden voor het gezin van den man, die zich toch werkelijk verdienstelijk heeft gemaakt. Dit gaat met moeite, want de meesten denken als Kneppelhout, die tot Huet zei: „Het ligt niet op mijn weg een Nederlander te ondersteunen alleen, omdat hij stijl heeft." —

Mannen als Beets hebben zich altijd verre gehouden van Multatuli.

Maar eindelijk dan toch zal men iets doen, maar niet voor hem, om hèm aan zijn gezin.

Sluiten