Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem leefde; hij zou goed zijn voor allen en wou dat ook graag, als men hem als oppermachtig en onschendbaar erkennen wilde.

Als hij in de diligence van Keulen naar Arnhem zit en nadenkt, „spreekt met God", zooals hij het noemde, wist hij zijne gedachten niet juister weer te geven dan in een Maconnieken term. „Als Gij er zijt, God! zte naai' mij!"

Indien Dekker, zoo geloofde hij innig en vast, het heelal geschapen had en de menschen, enfin alles, zooals de Kosmos reilt en zeilt, zou hij het heel wat beter hebben ingericht, dan het nu is. De lui van de guillotine tijdens de Groote Revolutie hebben veel te veel menschen gespaard en als hij, zegt hij, eens aan de Regeering u-ekomen was, zou hij begonnen zijn met enkele honderden of duizenden op te ruimen. Niet uit wreedheid, neen - hij roept in den Havelaar de geredde vliegen tot getuigen, door hem gered, toen niemand het zien kon, en kleinen Max verbiedt hij kapellen te vangen, omdat die beestjes zoo kort leven en zoo heerlijk fladderen in den zonneschijn; later schrijft hij Tine, den kiemen Eduard maar eens te laten hengelen, maar niet met wormen, omdat dit zoo wreed

Sluiten