Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tuigd; — ze wou dat heele boek vergeten en van Fancy niets meer hooren. Want zij wist beter dan Vosmaer, dat Fancy een „persoonlijke vorm" was.

Fancy was Sietske Abrahamsz. — Die oom van moeders zijde is oom Koo, die stiefmoeder is mevrouw Abrahamsz, die bekeerde zuster is Catharine Abrahamsz. „Het zoontje van mijn man" is Theo, de latere Dr. S. A. — en Tine is Tine niet; het is Tine, zooals zij zijn wou, om hem te behagen. Het geheel is mede eene poging, om Sietske te overreden en om al, wie zich tegen Dekker s familieleven wilden verzetten, aan de kaak te stellen. Het ideale is niet zoo heel ideaal: Sietske moet hij winnen, geheel, onvoorwaardelijk. En als hem dit straks gelukt is, weet hij geen raad met het kind, want dan klinkt de stem van de herhaaldelijk terechtgewezen Tine zoo ernstig, dat hij verschrikt.

„De Minnebrieven" zei Vosmaer, „zijn een vonkelend vuurwerk van vernuft en geest," ja, dit is zoo, maar als zielsuiting gegeven aan het groote publiek, dat toen zijne brieven nog niet gelezen had, zijn ze heel onoprecht; — „ze zijn de samenspreking van den dichter met zijne

Sluiten