Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

galooze zeggingskracht hem eerst heeft liefgehad, zooals jonge menschen een ideaal mensch kunnen liefhebben: men schreit, als hij van zijne smart vertelt, men balt de vuisten, als hij het hem aangedane schandelijke onrecht verhaalt, men zweeft boven de aarde, als hij de heerlijkheid van zijne beste begeerten voor u uitspreidt — in oprechte vroomheid stort men zijne gansche jonge ziel voor hem als voor een heilige uit.

Doch dat heiligenbeeld verdwijnt: de mensch komt te voorschijn. Dan is men bedroefd — men kan hem niet meer liefhebben, en dat doet zeer. Men begraaft hem in zijne boekenkast en raakt in den eersten tijd , den tijd van den rouw, zijne werken niet meer aan.

Dan echter keert langzamerhand de herinnering terug, men krijgt weer den moed, zoo nu en dan eens in hem te bladeren, — de doode gaat weer leven, maar hij ziet er na de opstanding heel anders uit.

„Het is verduiveld moeilijk", hooren wij hem tot Mimi zeggen, „doorgaande goed te wezen; ik geloof wel, dat ik doorgaans het goede wilde."

Dat geloof ik ook — en wat nu goed is en wat niet goed, staat niet aan mij te beslissen,

Sluiten