Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

machtig, aanzienlijk, rijk — een Koning

ergens — — — Appelsinia — —

I recies als Wouter. — En zoodra die Koningsgedachte over hem komt, en hij zich hoog gevoelt, levert hij Koninklijk werk, onnavolgbaar.

Wat was hij dan? — Ibsen zal 't ons zeggen. Uit ATar vt dóde vagner vertaal ik:

Rubek: Ik ben kunstenaar, Irene. En ik schaam mij niet over de zwakkelijkheid, die mij misschien aankleeft. Want ik ben als kunstenaar geboren, weet je. — En in weerwil van alles en allen word ik nooit iets anders.

Irene- Dichter ben je, Arnold — Dat je dat toch niet beseffen kunt, lief, groot, vergrijzend kind!

Rubek. Waarom houdt je nou maar vol me dichter te noemen?

Irene. Omdat er iets verontschuldigends ligt in dat woord, beste vriend. Eene soort van absolutie — die een mantel werpt over alle zwakheden en tekortkomingen. —

Eduard Douwes Dekker was dichter e.n gevoelde zich „een God in het diepst van zijn gedachten."

Naar diens stem zullen geslachten na geslachten luisteren.

Sluiten