Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet gemaakt. Het kompas is onze gids: ik heb 't niet uitgevonden. Men heeft voor ons een havenweg gemaakt van uit de zeeplaats waar wij afvoeren en een anderen havenweg tot in de stad onzer bestemming: ik heb daaraan geen deel gehad. En het trotsche vaartuig zelf, dat, kreunend onder den knellenden druk der zee, door den stoom bewogen, in evenwicht voortglijdt dwars door de woeling der golven: ik heb het niet gebouwd. Wie ben ik tegenover de groote afgestorvenen, de uitvinders en wijzen, onze voorgangers, die ons leerden de zeeën te doorploegen? Wij zijn allen hunne geassocieerden, ik en de matrozen, mijn gezellen, en gij ook passagiers, want het is voor u dat wij over de golven glijden, en, als het gevaar naakt, rekenen wij op u om ons broederlijk te helpen. Ons werk is een gemeenschappelijk werk en wij zijn hoofdelijk aansprakelijk ^solidair,) de één voor den ander."

Toen de kapitein aldus had gesproken, zoo eindigde Reclus, zwegen de anderen en ik bewaarde die woorden in mijn geheugen. Het waren woorden van een kapitein zooals men er zelden een ziet. —

In een vlugschrift, getiteld: A mon frère le paysan (Aan mijn broeder den boer) legde hij hun de eigendomsvraag van den grond uit. De boer, die zelf het land bebouwt, heeft het recht op het land. Niemand kan het hem ontnemen. De landheer, de kapitalist, die den grond hebben geërfd of gekocht, grond dien zij zeiven niet bebouwen maar waarvan zij, zonder er een hand voor uit te steken, de inkomsten trekken, kunnen dat recht allerminst doen gelden.

Sluiten