Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grillige welwillendheid van den „Vader die in de hemelen is. Maar de staathuishoudkunde, de vermeende wetenschap, heeft de erfenis van den godsdienst overgenomen en predikt op haar beurt dat de armoede noodlottig is en dat als er armen neervallen van honger, de maatschappij daar geenszins aansprakelijk voor is. Men ziet aan den eenen kant den hoop hongerlijders en aan den anderen eenige enkele bevoorrechten, die eten naar hun lust en zich kleeden zooals zij willen. En in alle naïveteit zou men moeten gelooven dat het niet anders kon zijn!

Het is waar dat het in tijden van overvloed mogelijk zou zijn te deelen en dat iedereen in tijd van gebrek zich zou kunnen verstaan over het rantsoen, maar een dergelijke handelwijze zou het bestaan onderstellen van een maatschappij, die nauw verbonden was door een band van broederlijke solidariteit. Dit spontane kommunisme schijnt dus nog niet mogelijk en de arme naïve man, die goedwillig gelooft aan de gezegden der ekonomen ten opzichte van de onvoldoendheid van de voortbrengselen der aarde, moet bij gevolg zijn ongeluk met gelatenheid dragen!

Evenals de hoogepriesters der staathuishoudkunde herhalen de slachtoffers van de slechte sociale inrichting, elk op zijn manier, de vreeselijke „wet van Malthus." „De arme is te veel," de protestantsche geestelijke formuleerde dit als een wiskunstig axioma, een eeuw geleden, en hij scheen de maatschappij te moeten insluiten in de geduchte kaken van zijn syllogisme: alle armen zeiden droefgeestig tot elkander dat er voor hen geen plaats was „aan den maaltijd des levens. ' De beroemde ekonoom, overigens een braaf man, zette kracht bij aan hun treurige konklusie door

Sluiten