Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezien ligt over alle dingen een heerlijke glans.

Als het licht van den godsdienst ons bestraalt, of liever als het stille licht der vroomheid op het altaar van ons harte brandt — dan is alles licht. Ook Jezus spreekt over dat innerlijk licht: „indien het licht, dat „in u is, duisternis is, hoe groot is dan de duisternis!"

Inderdaad, hoe hemelsbreed verschilt de waardeering van wereld en leven bij twee menschen, waarvan de éen buiten elke aanraking met den godsdienstigen geest leeft en de ander een geestverwant is van onzen Psalmist. De eerste verstaat niets van de weldadige stemming van eerbied en ootmoed, die Luther beving toen hij vanuit het kasteel te Coburg in liet midden van den nacht naar buiten zag. Het groote uitspansel tier oneindigheid, lange wolkenbanken zweven voorbij — sprakeloos, reusachtig, geweldig; — „wie ondersteunt dit alles?" vraagt hij in stilte. „Niemand heeft er ooit de pilaren van gezien, toch wordt dat alles ondersteund. God ondersteunt het, wij behooren te weten, dat God groot, dat God goed is en te vertrouwen waar we niet kunnen zien."

Toen hij eens van Leipzig huiswaarts keerde, werd hij getroffen door de schoonheid der korenvelden; „hoe staat dat mooie, gele koren op zijn slanken stengel, het gouden hoofd gebogen, lijk en wuivend; de gewillige aarde heeft het op Gods bevel weer voortgebracht: het brood der menschen".

De materialist ziet niets van de schoonheid der korenvelden, maar berekent de schepels graan, die zij hem zullen opbrengen; de rijke man van Jezus' gelijkenis zag, dat zijn land goed gedragen had. De

Sluiten