Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en alle tijden, *t welk steeds een dorst kende naar den levenden God, een dorst zóo sterk als 't moegejaagde hert heeft naar de waterstroomen ?

Het oneindige is ons immers ingeschapen; daarnaar gaat ons rusteloos streven uit. Als wij waarlijk leven, zijn wij op geen enkel gebied tevreden met het eindige, het onvolmaakte; altijd reiken wij hooger, streven wij verder, zoeken wij dieper; nergens erkennen wij grenzen voor ons pogen. Al stemt het ons nóg zoo vaak moedeloos, niettemin laat het ons nooit met rust, dat koninklijke woord:

^Weest dan gij volmaakt.

En waar is de mensch, die zich in het leven wel niet menigmaal klein gevoelt, o zoo klein! en diep afhankelijk en die geen steun zoekt en hulp en vrede voor zijn hart bij Een, wiens wegen niet zijn onze wegen en wiens gedachten niet zijn onze gedachten, maar wiens goedheid alle menschenweerstand te boven gaat?

Als wij Hem kennen in ons leven, als wij Zijn stem wel eens verstaan, als wij ons nabij Hem weten — wat is ons dat goed! Dat beteekent immers voor ons licht en leven en vrijheid! Het bevrijdt ons toch van het drukkend geloof aan een duister noodlot; van de troostelooze gedachte, dat het blinde toeval ons lot beschikt; het neemt de bange vrees uit ons leven en geeft ons het rustig vertrouwen, de blijmoedige stemming van een kind, dat zijne ouders niet altijd begrijpt, maar dat gelooft in hunne liefde, zich veilig weet in hunne zorgende hand, gelukkig is in hunne nabijheid en omdat het mag werken en streven onder het oog hunner genegenheid en tot bevordering van hun doel-

Sluiten