Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel mogen beginnen) uwe toegevendheid en uwe nachtmoedigheid. Ik hoop, dat gij mij zult leeren kennen als een, die zich gaarne uitspreekt, maai die ook niet zegt, wat hij niet meent. Welnu, dan zult gij begrijpen, dat het waarlijk geen ledige formule is, die er nu eenmaal bij behoort, wanneer ik zeg, dat ik er mij van bewust ben uw zachtmoedig oordeel noodig te hebben.

Ik kom tot u... zeer zeker met blijdschap en opgewektheid, maar ik kom ook met grooten schroom. De taak die mij hier wacht, is niet licht. Zal ik kunnen beschikken over den noodigen takt ?

Zal ik ... maar gij zelf weet beter dan ik wat hier noodig is en wat mij wacht!

B. en Z., ik zal uwe toegevendheid en uw zachtmoedig oordeel noodig hebben —en ik vraag er u om.

Er is wat mij moed geeft.

Vooreerst... gij hebt mij geroepen en draagt dus met mij een deel der verantwoordelijkheid.

Voorts, indien ik van iets zeker ben, dan is het van mijn goeden wil, van mijne hartelijke begeerte, mijne beste krachten te geven.

Maar bovenal geeft mij moed: dat wij menschen niet alleen de makers zijn van ons lot. Tezamen zijn wij in de hand van Hem, die het lot van natiën en volkeren, van gemeenten en leeraren, van iederen afzonderlijken mensch bestuurt.

Hij zeeg'ne en Hij behoede ons.

Hij verheffe zijn aangezicht over ons en zij ons genadig. Hij doe zijn aanschijn over ons lichten en geev' ons Zijn vrede!

Amen.

Sluiten