Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat zou het heerlijk wezen, als wij nog eens als kinderen konden luisteren naar dat engelenlied; als wij den geest van napluizen en critiek het zwijgen konden opleggen en over ons konden laten komen, wat er in de jeugd over ons kwam, als wij die wonderschoone kerstverhalen hoorden vertellen; toen dat alles reine, schoon mysterieuze werkelijkheid voor ons was _ de werkelijkheid van alle poëzie voor een kindergemoed, dat juist daarvoor zoo vatbaar is. Geen twijfelende geest des onderzoeks trok deze droomen naar beneden in het koude land der nuchtere feiten en cijfers ; die droomen waren onze waarheid, zooals wij haar konden zien en begrijpen.

Hoe heerlijk, wie genoeg kind blijft, om oog en oor te houden voor de reine poëzie in de oude legenden; om neer te zitten aan moeders knieën en te luisteren naar de verhalen over herders en engelen, over de wijzen uit het Oosten en het kindeke in de kribbe — het kindeke in het jodenland, dat geboren werd om koning te worden; ter wiens eere engelen de lucht met lofzangen hadden vervuld, en oude mannen en vrouwen hadden zijn heerlijkheid voorspeld. „Dat kind" — zoo laat de schrijfster van Gösta Berling eene moeder vertellen, en wij willen even aan haar schoot staan luisteren - „groeide op tot grooter schoonheid en wijsheid dan eenig ander kind. Toen "het twaalf jaar was, was hij al wijzer dan de opperpriester en schriftgeleerden." En de oude moeder vertelt verder van het schoonste op aarde, van 't leven van dat kind, terwijl 't onder de menschen verkeerde, „die booze menschen, die 't niet als hun koning wilden ^erkennen. Het kind groeide op tot een man, door

Sluiten