Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met het groot geheel der dingen . . .ja, dan verstaan wij de klacht van den dichter:

„Wanneer ik uwen hemel, het gewrocht uwer vin „geren aanzie, de maan en de sterren, die gij op hare „plaats gezet hebt — wat is de mensch, dat gij zijner „gedenkt, het menschcnkind, dat gij op hem acht „geeft1'... Maar als wij zien op de schatten, waarvan wij zeiven de rijke bezitters zijn; op het vermogen om met ons verstand althans voor een klein deel nate-kunnen-denken de gedachten Gods en daardoor tot bewondering te worden bewogen; op het zedelijk gevoel, 't, welk ons inplant een ideaal, dat ons doet grijpen naar de allerhoogste kroon van goddelijke volmaking; op het zeldzaam en zaligmakend vermogen der liefde bovenal, waardoor wij eerst recht door ons zelf te verliezen ons zeiven vinden en met God in gemeenschap treden en blijheid en hope en vei*troosting deelachtig worden .... ja, dan juicht en jubelt het ook in ons . . .

„gij maakt et den mensch slechts weinig minder „dan een God en kroont hem met heerlijkheid „en luister! — en erkennen wij het blijmoedig: ons leven moge kort en broos zijn . . . het is niettemin vol van uwe heerlijkheid en rijkdom, God — het is als een uwer bloemen, die gij laaft met de stroomen van uw licht en die daardoor in kleuren en geuren u dank brengen en de schepping sieren.

Zoo kan immers ook onzer zijn het gelukkig optimisme des geloofs, waardoor het leven, ondanks alles, de weerschijn wordt van Gods liefde en goedheid .... „in alles verdrukt, maar niet benauwd; om raad verlegen, maar niet radeloos ; vervolgd, maar niet

Sluiten