Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN EEN KLEINE BLOEM.

I.

In een prachtigen tuin met palmen en agaves in kuipen op fluweelig gazon, met een fontein, die hoog opspoot en frissche spatjes over het gras afspetterde, ben ik gegroeid. Ik was toen nog niet zelf een plantje maar een spruitje aan een groote geranium. Op een keer toen de tuinman zijn rettelend maairolletje, waarvoor de grassprietjes en klavertjes zoo bang waren, voortduwde, schopte zijn groote klomp tegen de geranium en ik brak er af. Met een hark trok hij het afgeschoren gras op een hoop en ik raakte mee achter de tanden. Hij greep met zijn groote armen in het losse gras en gooide het met bladeren en al op een kar. Gelukkig kwam ik bovenop en danste op het veerende gras, als de wagen over de straatwegsteenen hotste. Eens kwam er zoo'n harde stoot, dat ik hoog op wipte over den wagenrand heen. Ik kwam in een plasje terecht aan den kant van den weg.

Ba, wat vuil water, maar ik had dorst en dronk toch. Ik fleurde weer op en mijn mooie fluweel-

Sluiten