Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat zal hij het vreeselijk vinden, het is zijn schuld. Als hij zijn eigen maar niet gaat verdoen," sprak ze. „Waarom deed je het ook. Maar je houdt zoo groot van haar, je kan haar niet missen.

Ik moet hem roepen, hij moet haar zien voor ze

Als hij geen vergeving heeft gevraagd, als hij geen kus heeft gehad, dan gaat hij weer aan den rol."

Heel zacht schudde ze den zwaren man; ze schreide.

„Vader, sta je op. Toe man, Miesje wou je hebben."

En toen hij opsprong, keek hij verward om zich heen en scheen op eens alles te weten, van gisteren en van vandaag.

Bang vroeg hij: „Hoe is het met haar?"

„Niet best, man."

Hij vloog naar het kind, dat van hem schrok en schuw wegkroop.

„Moeder, daar is vader, hij zal me slaan."

Met zijn harde vuist bonkte de man op zijn voorhoofd en ging achter de deur.

„Ellendeling," zei hij, maar hij kon haast niet praten en hij hijgde.

De moederstem fluisterde teer: „Miesje, schatje, vader is goed, vader slaat niet, hoor, hij wil je kussen," maar Mies hoorde niet. Daarom trok de vrouw hem bij het kind en vroeg: „Zeg wat, heel zacht."

Maar Miesje hoorde ook zijn stem niet.

„Man, zeg kleine prul."

„Mijn lieve, kleine prul, toe, luister naar vader, vader is niet dronken, ik ben goed, ik zal je niet slaan."

Strijd 2

Sluiten