Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Kom Leen, zoo dacht ik ook in wanhopige buien, je moet den moed zoo gauw niet laten zakken."

„Alsof moed zou baten. Waarlijk, ik heb den moed niet gauw verloren, mijn wil heeft me voortgezweept nog lang, nadat ik voelde, dat ik het niet vol zou houden.

Ik voel me van dag tot dag ellendiger; eiken morgen, als ik opsta, ben ik erger moe, heb ik meer pijn, zijn mijn beenen zwaarder. Maar ik heb gewild, als ik bijna in tranen uitbarstte. Ik heb de tanden op elkaar geklemd en mezelf opgezet, als ik van vermoeidheid inzakte. Jaren had ik naar dit werk verlangd en nu ik het eindelijk heb, nu kan ik het niet doen. Troost me maar niet, ik voel, dat ik nooit zal kunnen om dat ellendige lichaam. Ik heb tot me zelf gezegd, dat het wel wennen zou, maar het werd erger; ik heb gezegd, dat ik flinker moest zijn, dat ik verwend was door het luie leventje bij tante, maar het werd erger; ik heb voortgehold om het niet te voelen maar het werd erger, toch erger. Het zal alles niet baten.

En ik had er zoo naar verlangd, ik had er hopend op gesteund.

Als ik voor het raam zat, voor zoo'n raam met ouderwets kleine ruitjes, in het popperige hofjeskamertje van tante en kousen maasde of middag aan middag zat te borduren op fijne zakdoekjes, die tante uit dankbaarheid aan een harer weldoensters gaf, dan was het, of er aldoor iets kriebelig in me opwipte, iets, dat er uit wou en dan troostte ik me

Sluiten