Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was. Maar daar moest ze immers van af zien, ze moest het oog richten op wat voor haar lag.

Ze zag op en voelde onder haar peinzenden blik als wegdraaien lange vakken weigroen met witte koeien, bruin van akkers, waarop ploegende boeren, roode boerderijdaken tusschen geboomte, reepen water, dat glinsterde in de zon; terwijl dat alles haar voorbij gleed, strekte zij zich uit naar de nieuwe toekomst.

Zoo'n klein rose-mollig poppetje, zoo'n kindje nog zonder karakter, geen persoon; slechts een levend lichaampje met snoezige vormpjes, de geest daarin sluimerend als het leven in het zaadje.

Als het maar wat stevige leedjes had, dan zou het aan- en uitkleeden wel gaan.

Maar de vader? O, ze zag er tegen op hem te ontmoeten, ze was al verlegen voor ze hem zag. Zeker zou hij stil zijn, nog bleek van spanning. Arme man, die zoo spoedig zijn vrouw moest missen. Ze haalde den brief, dien zijn tante haar uit zijn naam schreef, nog eens uit den zak.

Ze las hem nog eens over, flinke zinnen, die de zaken afdeden in een hartelijken toon. Er was iets van Mien in dien brief, geen gezeur met mooie woorden.

Zou hij ook op Mien lijken? Het kon wel, ze waren neef en nicht. Ze hoopte het. Die goede Mien, zij had haar toch eigenlijk de betrekking bezorgd ... of neen, Mien niet, de Heer had het zoo gemaakt, dat terwijl zij zelve ziek lag, Bassers tante juist aan

Sluiten