Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door het vriendelijk landschap, achter de boeren, die op het perron nieuwsgierig gekeken hadden met wie dominee zoo praatte. „Zeker de nieuwe juf."

Ze spraken weinig, nadat Lena vernomen had, dat het kind wel was, de groeten van Mien had overgebracht en eenige opmerkingen over de reis en omstreken gewisseld waren.

De pastorie, die Basser van verre al aanwees, maakte een prettigen indruk. De ramen keken zoo gezellig uit over den langen dorpsweg, het was of ze Lena aankeken.

Een frissche meid, wie de goedhartigheid uit de oogen straalde, deed de deur open en nam Lena's goed aan.

„'k Ben blij, dat u zoo gauw gekomme bent, juffrouw, want u zal wel beter met zoo'n klein ding overweg kunne dan ik; mijn hande zijn beter voor de bezem dan voor die kleine armpies en beentjes, 'k Was bang, dat ik ze breke zou, as ik er mouwtjes aantrok. Maar het schapie most toch geholpe. U is immers diakenes geweest?"

„Maar kort. Hoe heet je?"

„Betje, juffrouw."

„Gaat u binnen, juffrouw," noodde Basser vriendelijk en opende de kamerdeur.

Lena's oog viel terstond op het schommelwiegje met lichtblauwe gordijntjes. Het kindje zag ze niet en de tafelstoel was leeg.

Dominee Basser zag haar zoekend rondkijken en zei: „De kleine doet haar middagslaapje."

Sluiten