Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze sprak hem zoo weing, meestal was hij op huisbezoek of zat in zijne studeerkamer, waar het portret hing, „dat niet voor alle menschen was."

Na de korte maaltijden, waaronder hij weinig sprak, de krant las of een enkelen keer met kleine Gerrie speelde, trok hij zich daar terug. „Zijn thee dronk dominee altijd in zijn kamer" verzekerde Betje, ten minste na den dood van mevrouw. Een keer, toen Lena hem zijn kopje bracht, zag ze hem daar, achter over in zijn schrijfstoel geleund, opstaren naar haar, die zoo kort hem het leven gelukkig en blij had mogen maken.

„Dat is zij, mijn vrouw," voegde hij nog als ter opheldering er bij. Het was de eerste maal, dat hij van haar sprak. Lena was misschien te meer getroffen, omdat hij niet sprak van „mijn arme lieve vrouwtje, die ik moest verliezen." „Dat is zij." Dan wist Lena het, zij, die hem alles was geweest.

„Ik dacht het reeds, ik vind het dezelfde oogen van de kleine Gerda."

„Ja? Vindt u het werkelijk? Ze lijken er wel op, maar ze is nog zoo klein."

„Ik geloof het toch stellig; soms kunnen ze zoo donker en soms zoo licht zijn."

„Dat konden de hare ook," antwoordde hij droomerig, als dacht hij niet meer aan het kind, maar op eens sprak hij met warmte: „Juffrouw, ik ben toch zoo dankbaar, dat u zoo voor ons kindje zorgt, ik zie, dat u u geheel aan haar geeft."

„Ik geef mij niet aan het kind, ik voel het andersom.

Sluiten