Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gerda!"

Ze schrok van dien kreet, want dat was het, zag op, Basser in het oog, dat groot en donker stond, niet van boosheid, maar van iets, waarvan zij weerpijn voelde. Ze zag hem met vast gesloten mond op het kind toe treden, den arm opgeheven.... om het te sla

Lena sprong op als zou haar de slag treffen, in woeste vaart stormde ze naar boven, naar haar eigen kamer.

Ze sloeg de klamme handen voor het gelaat om den heeten schaamteblos, dien ze voelde opkomen te bedekken, al was ze alleen.

Ze stampte met den voet en het trilde van haar lippen: „Dat zal niet."

Van beneden door het opengeslagen raam, waarin de zon zoo hatelijk vroolijk blikkerde, klonk een kinderstemmetje, dat schreide, niet boos maar bitter, ach, zoo bitter bedroefd.

Het schokte door Lena heen, die overspannen als ze was, in snikken uitbarstte:

„Mijn kleine arme Gerda, mijn kindje; waarom kwam dat in mij op, wat ik nog nooit gevoeld had, maar op eens door mij heen trilde als een zoete pijn. Ik duizelde bijna van zulk machtig voelen.

Dat moet liefde zijn. Ik heb hem lief, hem lief."

Een oogenblik gaf ze zich aan het overweldigend geluk van te beminnen. Krachtig richtte ze zich op, nu niet meer snikkend, maar sterk door wat begraven was en nu zich had opgericht, dat haar als droeg.

Sluiten