Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar toen snikte ze weer: „Waarom bleef het

niet zooals het was; waarom moest ik op eens zien als bij schel bliksemlicht, wat ik niet wist, dat er was.

Dat is liefhebben; dat pijnlijk gloeien, waarmee ik voelde voor hem, ik voel, ik weet, dat het dat is. Mijn hart trok naar hem, niet naar het kind. O kind, als je wist, wat ik op dat oogenblik je had kunnen doen, in dat oogenblik van drift. Ik had geen kracht van liefde meer om je te dwingen al was het met geweld. Neen, hij had mijn liefde, ik had gekozen tusschen hem en jou. Voor jou had ik boosheid, omdat je hem .... waarom deed je hem ook zoo zeer, dat ik het voelen moest, waarom bleef het niet zooals het was, zoo stil-gelukkig.

Nu ben ik ontrouw aan mijn heerlijke roeping, waarvoor ik den Heer dankte.

Ik stel hem boven jou, ik was niet bedroefd, dat je ondeugend waart, ik had geen spijt, dat je je zelf en ons verdriet deed, geen medelijden, dat je met zoo'n koppig willetje moest strijden. Nee, voor hem kwam ik in vuur. Het greep in mijn liefde voor hem, niet in mijn moederlijk gevoel voor het kind."

Vol wrevel had ze gesproken, geërgerd, dat er iets was gekomen, iets uit haar zelve tusschen haar en haar roeping, die haar leven zoo rijk, zoo vast, zoo toegewijd had gemaakt. Het heerlijke, de van God ontvangen taak trouw te vervullen voor Hem, was bedorven.

Voor ze dit klaar en belijnd had doorgedacht, had het hart, dat vlugger voelt dan het verstand denkt,

Sluiten