Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar dit alles gezegd en Lena was te waar, te veel gewend zich zelf te controleeren om er niet naar te luisteren. Treurig, half verontschuldigend, klaagde ze: „Maar ik kan het toch niet helpen, het kwam en ik wist het niet, ik voelde nooit, dat het er was, die

lief voor hem. Ik zag tegen hem op, ik voelde

hem boven mij, ouder en waardig. Ik was hem dankbaar voor zijn vertrouwen, voor zijn vriendelijkheid, hij werd mijn leidsman, mijn vaderlijke vriend. Ik dacht er niet aan, dat hij iemand was, dien ik zou kunnen liefhebben. Hij was immers getrouwd, hij heeft bemind. Nooit was dat vurige, die drang om hem te bezitten voor mij alleen, in mij opgekomen en nu slaat het in eens heftig omhoog. Het schokte door mij heen, het was zoo sterk, zoo door alles heendringend, als ik nooit eerder voelde. Ik besefte, hoe na hij mij aan het harte ligt, omdat ik zag, wat het hem kostte, omdat ik met hem leed.

Die donkere oogen, groot en vol pijn, die vaste lippen. Het was geen opstuiven in woede, het was niet zijn drift, die hij moest uitslaan en het lichaam tot heftige gebaren opzweepte. Nee, hij was zich zelf, hij heeft het gedaan, kalm en met vastheid; hij had het eerst besloten, omdat het moest."

Ze had hem bewonderd, zelfs onder de snijdende pijn, die het haar deed.

Ze sloeg de hand voor het gezicht, als kwam een nieuw onheil, dat ze niet zien wou.

„Wat baat het! Ik zie, ik moet zien, waaraan ik nog niet had gedacht, ik kan hier niet blijven. Ik

Sluiten