Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan toch niet bij hem zijn, nu ik hem liefheb, en hem toch niet mag bezitten. Ik kan niet bij hem zijn, ik ben niet vrij meer.

Maar heengaan? Dat is van mijn door God mij aangewezen plaats loopen. Dat is Gerda afstaan.

Dat mag ik niet, dat wil ik niet. Ik zal blijven. Neerdrukken zal ik het, telkens als het op zal komen, ik wil hem opgeven, niet door weg te gaan; nee, hem opgeven uit mijn hart, al moet ik hem zien, hem hooren, voelen, dat hij er is, eiken dag, eiken maaltijd.

Ik zal opgeven, hem, zijn raad, zijn leiding, zijn hartelijkheid. Ik zal weer alleen staan, net als vroeger. Dat zal ik doen voor jou, Gerda.

Als hij vriendelijk is of zorgzaam voor me, dan zal ik mijn hart toesluiten, dat er niets van hem in kan komen, niets van mij uit kan gaan. Ik mag hem niet liefhebben, dat is niet, waarvoor de Heer mij zond."

Ze staarde vooruit, als zag ze den strijd, van minuut tot minuut, den strijd, waarbij alles van binnen en van buiten zou dringen om haar te doen vallen. Ze voelde den moed zinken, haar kracht klein worden en gebroken zakte ze op de knieën en bad om steun, nu meer dan ooit om hare roeping te vervullen.

„Maar o, Heer, waarom moest het zoo gaan? Waarom laat u dat toe?"

Het kwam weer in haar op, het „waarom" van Huberte en Bassers „daarom".

Sluiten