Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zijn hoog, door beproeving gelouterd karakter rustig had genoten. Het was geweest als een stille zonnige boschstemming, terwijl nu de zee beukte en bulderend kookte.

Ze had alles verloren. Zelfs Gerda bezat ze in den angst, dat ook zij haar ontvallen zou. Onbewust, nog niet in gedachten belijnd, zoodat ze het zag, was er een vreezen in haar, dat ze toch niet zou overwinnen; dat haar vurige liefde onverwacht zou losbreken uit den binnensten kerker haars harten, waar ze gekluisterd lag en bewaakt werd; dat ze toch weg zou moeten gaan.

Alles verloren en in haar smachtte iets naar beantwoording; daar was iets, dat leefde en woelde en schreeuwde om vervulling. Ze wist, dat het niet zou leeren zwijgen, maar blijven vragen en pijn doen. En toch....

„Ik wil blijven Heer, want het is mijn roeping. Mijn hart heeft het schoone, het heerlijke voorrecht gemaakt tot een last. Help mij Heer om dien niet af te werpen, maar te dragen, zoolang gij het wilt."

Langzaam, als wilde ze den weg rekken om te denken, ging Lena uit de kerk naar Horstink. Ze was schuw om de boerenpronkkamer binnen te treden, waar de uitgekwebbelde meeningen over de preek haar zouden rukken uit haar stil zich-toewijden.

Daar troonde Horstink in de dikke welgedaanheid van een kleiboer, naast zijn vrouw, die achter het koffieblad zat te pralen in haar zijden jak en echt

Sluiten