is toegevoegd aan uw favorieten.

Strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was in haar nooit opgekomen, dat iemand „er iets in kon vinden," dat ze bij Basser in betrekking was. „Een jongen weduwnaar."

Basser was niet jong, maar eerwaardig.

In de wereld had Lena geleefd noch gekeken. Moderne romans van Haagsche flirtkringetjes had ze nooit gelezen. Ze wist niets van de zondige neigingen en ijdelen drang, die als draden zich spannen tusschen beide geslachten.

Ze stond vrij en onbevangen voor een man als voor een vrouw. Zijn geest kon haar imponeeren, maar zijn man-zijn kon haar niet verlegen maken. Geen man zou haar doen blozen, dan die indruk maakte op haar vrouwenhart en zulk een had ze nog niet ontmoet in haar eenvoudig meisjesleven.

Dat er meisjes waren, die jongens lokten met lachende lonkjes, dat jonge mannen meisjes naliepen en vleiden om samen ijdele liefdespelletjes te spelen, zich te verlustigen in coquetterie; dat er heeren waren, die verliefden op elk aardig figuurtje of knap gezichtje, ze had er wel eens van gehoord, maar het had haar zoo onmogelijk geleken, dat ze eigenlijk niet geloofde, dat het zoo kon gaan in fatsoenlijke kringen. Eens had ze in een wachtkamer een dame gezien, die coquetteerde met blinkend vleiende oogen, welke ze lachend opsloeg voor een heer tegenover haar, die dit beantwoordde. Lena was de wachtkamer uitgegaan, ze meende, dat het een slechte vrouw was. Dat er zoo dames waren, geëerde deftige salondames, uit den „netten" stand, dat wist ze niet.